Zalm en hete aardappelen
|
Dus ben ik weer eens onderweg naar Ierland. Nu eens niet 'op de bonnefooi', maar we zijn op reis naar een 'dijk' van een zalmvisserij. Van te voren geboekt, na overmaking van een berg duiten. Een weekje heerlijk 'zalmen' dus, want we bedachten er meteen maar een werkwoord voor. Nu ook het woord lodge naar onze contreien overgewaait blijkt, gaan we dus niet naar een gezellig vissers hotel, of een intiem guesthouse, neen wij gaan, maar dat bevroedde u reeds, wij eh..gaen near een laodge. Ja?! Schuift u de aardappel even een tikje schuin achter in de keel, zodat ie nog net onder de tong steken blijft en zeg dan nog eens langzaam - lodge. Dan moet dat zo'n beetje als 'Loadge' klinken. Bekt wel lekker heh? "Zag, weet ja, ak zat oack nog even een waekje met Jorgi Porgy in een loadge. 'The Green Oak ledgered Peakack' Dear vasten we oack nog twee dagen met Jammie..." "Jammie?" "Jeah joh die Jammie Carter, die leuke yank, die toch dear in de States nog wat jeartjes de baas was, de zeak zo eardig bestierde..." "Oh die?!!.....vast die dan oack!?" Tegen de avond kwamen we aan. De lodge bleek een wat krakkemikkig, laat Victoriaans gebouw. Hol klinkend, grouw-wit met optrekkend vocht in de bepleistering. Het rook ook muffig, wat schimmelig. 't Bleek eigenlijk allemaal nogal sjofel, versleten pluche, een beetje jeugdherberg achtig zelfs. Een loadge, nou dan denk ik toch wel aan iets anders. Daarbij kwam dan ook dat het woord 'heit' me iedere keer op de lippen lag als ik de immer wat stekumig grijnzende beheerder tegenkwam. Een man met vochtige lippen en altijd witte spuughoekje weershoekig van de grijns. Een wriemelende frust, met bleek plakhaar, zure okselmeur en een ponkige nekpukkel. Het woord 'mem' popte spontaan in me op wanneer ik zijn alll... en maar alllltijd lachende doch tevens allltijd zwijgende vrouw zag. Soms zei ze echter wel eens iets, maar heimelijk zacht, altijd achter heit toevend: "Yes yes, sure he right, right he is. Sure sure...!" Een vrouw van het type doorpakker. Uit de lade 'struis tegen beter weten in'. Een soort broedse mijnenlegger, met bril, een brede, hoge, te grote, zich op buikhoogte bevindende en immer zwoegende borstwering, genadeloze 'punch' armen, kreunheupen, een reet als een Shetlandse pony en altijd overal hoorbaar doorstappende plapschoenen. Waar ze zich ook in het gebouw bevinden mocht. Dit zal ook mijn gevoel 'jeugdherberg' wellicht wat verduidelijken. Ik ben trouwens met Dolf. Dolf die ooit een linkse rakker was. Hij was ooit ook journalist. Dolf die overlevingstochten in de wereld maakte. Op de fiets en een tent naar de Zuid pool, Himalaya 's, Spitsbergen of de Hybriden. En dan maar overleven. Dolf is veranderd. Dolf is, als ik zo even stiekum naar hem kijk, met z 'n sjawltje in z'n dure New Yorkse (ach jea, ak hab in Jew Yarck evan wat oaeuverhemden gekacht...) hemd toch wel een beetje een rechtse kakker aan het worden. Bovendien golft hij sinds een jaar en dan wordt het pas echt oppassen geblazen. Nu kunnen die rechtse ballen overigens best wel leuk zijn, dear niet van. Met Dolf had ik overigens volkomen vrede, zeker gezien z 'n nobele verleden. Enige waakzaamheid echter bleef geboden. Ik heb trouwens wel eens tegen hem gezegt; "Dolf, je bent echt de enige leuke rechtse bal die ik ken". Hij zei toen dat dat wel meeviel, met dat rechtse. Wie schetst nu dan toch mijn meer dan opperste verbazing? Aangezien Dolf vlak voor het betreden der Lodge opeens gehuld blijkt in een knickerbocker. Zo 'n oprechte hopmaniaanse drollenvanger. Zo 'n ding, zo 'n rare flapbroek, wat terug grijpt naar volgezongen Heidiachtige heimat films. Vol huppelende deerns in witte bloeses, blauwe wapperrokjes, en tanige strohalm vlechten. Nobel 'zo flink en schuin' het zonlicht inkijkende Hansrls in dito wit, aber jetzt in lederhoserln. "Jah, an-tre-ten!" Allemaal vrolijk glimlachend in spannende afwachting van 1939. Een broek ook herinnerend aan merkwaardige jachtpartijen, met van die hysterische glim-spetter-koperen hoorntoeters om de jacht 'aan te blazen'. Een soort blerend getoeter, wat vast en zeker alle wild in een straal van vele kilometers panies op de loop doet gaan. Hier omheen huppelt dan dat even erge, maar dan ook volkomen stupide uitgedoste volk. Ik sloeg dus ook, bij het aanschouwen van Dolf haast in een akute stuip van het bordes. "Dolfje toch...!", riep ik gierend. Maar hij negeerde me wijs. Toen we de eetzaal, the diningroom dus, binnenwandelden begreep ik het ineens helemaal. Loepscherp. Ik aanschouwde een even bizar, potsierlijk als opmerkelijk gezelschap. Zong ik zoeven nog zachtjes een wat platte Pogues deun voor me heen. In de trant van: 'Priests
and maidens Fuck the
yanks and drink their wives Nu spetterde Dolf opeens vlak voor de..eh.. entrance snierend: "Dat dat hier verdomme niet zo ging!!... P..P...pp... Hou je in en gedraag je verdomme eens Swier!" "Maar Dolfje toch?!?" In de
ruime deiningroom zaten een vijftiental mensen aan wit gedekte tafels.
Voornamelijk heren. Zwijgend. Iedereen keek ons in opperste verbazing
aan. Alsof we zo van mars gevallen kwamen. Twee insecten waren. Ergens
viel nadrukkelijk een vork. Nu kan ik me zo'n reactie bij het aanschouwen
van mijzelf nog wel voorstellen, maar Dolf had toch het juiste uniform
aan. Zou je denken. We stonden daar wel een hele lange minuut te dralen.
Leek het. Tot een besnorde en besjawlde heer in een ernstig uitziend deining
kostuum de stilte in 'leuk Engels' doorbrak met: "Ellow there, ...ehhhh...oowh!...
'ye guys must be the Dutch lads, now are you?" "Eh.. jes heur",
brokkelde Dolf bekwaam. "Jolly good!", klonk het van een tafel.
"Swell", van een andere. "Marvellous", vlak voor ons
en 'kjef kjef' van ergens diep uit het vanonder. Tegelijk kwam mij ter
ore: "Don 't 'ye dare falling asleep again Seamus! Seamus!!!?! Did
you really have to drink all these gin and tonics, dear!?... There are
new guests, you fool!?! Now stay awake, you hear!". "Yes dear",
klonk het vermoeid uit een donkere hoek achter de schouw. En wij ?....ohw..
wij mochten zelfs bij snorrewiets aan tafel, die, zo haaste hij ons te
vertellen 'Major' was. Ooit in 'bloody' India had geknokt en daar the
problem with the bloody leg' had gekregen. "Jolly good", riep
ik. Snor keek me waterig aan. Ik werd meteen venijnig door Dolf tegen
de schenen geschopt. "Dolfje toch!.." Er werd dus net gegeten, dat was mooi meegenomen. Dat zei ik ook tegen Dolf, maar die mompelde iets in de trant van of ik me in 's Hemelsnaam wilde gedragen. De conversatie aan de tafels ging, behalve bij de Noord Ieren, maar over een ding. Over zalm. Over vliegen, over al die fameuze wateren die ooit werden bevist. Waar het toen ooit zo veel beter was, 't water vooral hoger en bovenal meer, en natuurlijk, veel meer zalm. Vooral door de Major trouwens, die trok en reisde wat af zo te horen. Hij blapperde immer het hoogste woord. Over gemiste vissen, verspeelde vissen, gemiste kansen, that romance 'on the bank that he once had' en ook toch wel weer over the Bloody War. Een gesprek vol van holle frasen, tierelantijnen, innemend stokkerig gelach, ondersteund met van dat instemmende begripvolle geknik met van die opmerkingen als: "Ohhhww is that so? Really, now did he?" "Where did it brake you, ohhhh God 'damn! You hated that, now did you??..." Dit alles werd omkranst door bleek, te lang opgestaan hebbend plepperig eten. Met onderandere bloemkool die naar heuse poep smaakte, zo uit de hondehokken. Bleke plakken vlees, waarvan ik de herkomst niet dorst raden. Plus het almaar luider wordende getangel van bestek. Het kantkleumertje Bridy toverde haar hondje uit haar tas, die de bordjes mocht aflikken. Na twee likjes had het dier geen zin meer. Het pluis gromde wel venijnig tegen Dolf, die vriendelijk en overdreven naar Bridy knikkend terug zei "A wee bit nasty you little fellow, now are we??" Hij stak zijn hand naar het grommende insect uit en... ja hoor daar zat Dolf weer met een zakdoek. "Als ik die etter morgen aan de rivier tegen kom dan..." Zei hij vriendelijk lachend in mijn richting. "Dolfje toch, durf je wel tegen zo'n schatje..." Een smorpend geruis trok de aandacht. Ah... De secreatarisvogel propte zijn mond nog eens vol. Vol hete aardappels en meteen maar een flink stuk bleek dood beest erachteraan. Hij praatte veel, vochtig en dus smakkend. Hij spetterde ook, veel, ver en hoog. Dat kon ik goed zien, het sproeide af en toe, in het schuin binnenvallende zonlicht, wat net langs de zowel orerende als azende vogel stroomde. Het soort eten wat ze in Amerikaanse films en series altijd doen; eerst je mond volproppen en dan, pas dan beginnen met praten. De secretarisvogel wist daar alles van. Ik zei daarom in het Nederlands: "Eerst je mondje leeg eten secreta...." Daar was die verdomde Dolf weer. "Oohw!..Dolfje toch!". Er zaten trouwens nog meer mensen, maar die vielen me niet meteen op. Het geroezemoes aanhorend moeten het varianten of klonen geweest zijn van de eerder beschreven schepselen. Hoe het
bestaat begrijp ik niet maar dat het bestaat staat als een paal... Wante
nu ja, weet je...er was gewoontegetrouw weer eens geen water. 't Was er
wel, maar veel te weinig. Anderhalve week geleden gorgelde de rivier leeg.
Voorlopig geen zicht op regen van enige betekenis. 't Zal ook niet zo
wezen als Swier ten tonele verschijnt. Waar ik ook kom, overal, daar worden
meteen de stoppen eruit getrokken. Er stond wel een groot optimistisch
bord op de koffietafel. Erop stond geschreven waar eenieder de volgende
dag dan wel niet vissen mocht. Nu weet ik best wel dat dit min of meer
de gewoonte is in de 'zalmwereld', maar ik heb er wel de pest aan. Zelfs
in de heilige zzahlmmm (zalvender is het niet te schrijven) wereld wil
ik kunnen gaan en staan waar ik wil en niet van hek tot aan hek. Maar
goed, het zei zo, ik diende er vrede mee te hebben. 'Party Swaier' mocht
naar beat 15, dat bleek de hoogste beat van het systeem. "Fijn",
zei Dolf en begon optimistisch foudralen leeg te trekken. Het water bleek,
daar bij beat 15 aangekomen zo laag, dat je er met je lage lederen molieres
zo door heen kon wandelen. Niks geen waadpakken en lieslaarzen. Een paar
kaplaarsjes tegen de dauw. Zalmen, het grote tobben. Maar we hadden gelukkig
nog wel 'fijn' vijf hele dagen voor de boeg..... 'No rain of any significance'.
Wat me opviel waren de medevissers. Die liepen rond alsof ze iedere dag
zes zalmen de man vingen en dat zeker ook vandaag zouden gaan doen. Niemand
ving een schub. Die dag niet, de volgende niet, vandaag niet en overmorgen
vast ook niet. Never-nooit-en-te-nimmer-niet! "Jolly good!, Marvellous!,
Ohw.. how splendid!" "Dolf...Dollef...Dollefie!", vleemde ik. "Hier niet zo ver vandaan liggen een aantal schitterende meertjes. Kleine smaragden, rietomzoomd, leliebespikkeld. Glashelder met ruisvoorns en schitterende snoe....". "Nee, níkstervan.. Komt helemaal niets vannin!", antwoorde Dolf bars. Ik stribbelde nog.. "Maar lieve Dolf ik vind hier geen ene barst aan, ik heb de nijging om weg te rennen. Het lijkt hotel California wel, de Shining ofzo en dan dat volk. Zie je dat dan niet Dolf?..Dollef! Die mensen zijn ziek, banana's, tingeling of gewoon betoverd, griezelige sekte aanhangers... ofzo" Dolf pakte zijn twee handige zalmhengel en keek er technies langs. Of de ogen wel in lijn stonden. Dat kan heel verstandig zijn. Hij hees aan z'n bezopen kuitbroek, klapte fier de lieslaarzen omhoog. En beende weg, met prangende kuiten en met die blijkbaar in zwang zijnde dreunende dijen. "..Snoeke!, snoeku kannik verdomme thuis ook!", hoorde ik nog......, hij liep dreunend een knuppelbruggetje op. "Ook hij is gek geworden", constateerde ik bedroeft. Ik dronk
te veel die avond. Echt te veel. Aldoende en goed op gang zijnd beledigde
ik de Major, maakte iets te luid grapjes over de bloedeloze vriendin van
de cycloop. Ik wilde de Fransen pootje haken en de secretaris vogel omduwen,
om te kijken of ie dan inderdaad zou doorrollen. Ik plaste vervolgens
samen met de, toch wel erg geinige Ieren, tegen de auto van de Duitsers
en tegen de portier en de handgrepen van de Mercedes van de Zwitsers....
Om twee uur 's nachts zongen we een schuin lied onder het raam van heit
en mem. Die deden alsof ze sliepen maar dat moet, zeker gezien het lawaai
wat Kieran maakte met twee deksels van vuilnisemmers, onmogelijk zijn
geweest. Ik wandelde die namiddag nog eenmaal langs de nu bijna geheel lege rivier. Om Dolf te vertellen dat ik het zat was. Dat hij kon kiezen of... De Fransen stonden zich zo te zien al uren te pletter te werpen. Met zwart geworden lijnen aan een soort grote modderpoel. In de heuvels ontwaarde ik de cycloop, de fanatieke even ontvlucht. Hij gluurde door zijn kijker naar een vlucht wulpen.... "Look at this!", klonk het. "Now will you please spare us a moment and look at this?!!", daar had je heit met de major. "Now look at it. Ain 't it jolly!?" Samen torsten ze een grijzige vis. Levenloos. Een ernstig gestorven zalm. Twee opgetogen jongetjes met vreugdevonken in hun ogen. Ineens voelde ik sympathie voor de major. Als een brave, nobele golf trok dat door me heen. Trots stond hij daar, keek licht argwanend naar mij.... "Jolly good, is it not mister Swaier?!?", vroeg ie licht dreigend. "He did get him on the worm", kirde heit kronkelend, schaamteloos in zın kruis wriemelend. "On my own little privat spot", lachte hij met te veel tandvlees en hangend speeksel. "Oh surely, on his, my friends privat spot", glom de major, legde zijn arm vriendschappelijk om de schouder van heit, die geil naar hem omhoog keek. Ik klopte de major lang op de schouder. Schudde hem stevig de hand en ik hoorde mezelf zeggen: "Jolly good old chap, you surely did it again", en "A marvellous fish indeed!..." Ad Swier. |